Title: GEDICHTEN

Author:COSTA ISAÄC DA
Subject:OTHER GERMANIC LITEREATURES
Source:
Download book:
Words Statistics:words statistics
 

Number of words for page:
ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

AAN BILDERDIJK

Mijne gloênde borst verlangt naar lucht!
mijn kloppend hart, om uit te spatten!
Van echte dichterdrift bevrucht,
kan haar mijn geest niet meer omvatten!
Leer, leer me, o groote Dichtrenvorst,
wiens beeld geprent in deze borst
die poëzy verwekt, wier vlammen my verslinden!
Leer me in de galmen van mijn lier,
leer me op 't bezielde dichtpapier
mijn hart, en wat dit hart voor u gevoelt, hervinden!

Mijn ziel, geschokt, aan de aarde ontvoerd,
en boven eigen kracht verheven,
vindt, by den God die haar beroert,
en taal en versmaat zonder leven!
Hoe zal een menschelijk geluid,
als 't rijk der Englen zich ontsluit,
en 't Godaanbiddend paar van Schoon- en Waarheid dalen,
den toestand van 't verrukte hart,
dat in de louterende smart
van eigen nietigheid zich baadt en wegsmelt, malen?

Hy moog dit, hy, wiens forsche moed
voor onze galmen, onze woorden
een nieuwe zieltaal leven doet,
een nieuwe wereld van akkoorden!
Gy moogt dit, Bilderdijk, ja gy!
gy, enkel hart en poëzy!
die, koning onzer dichterwereld,
een kroon draagt, met den blanken gloed
der deugden van uw vast gemoed
op 't Godgetrouwe hoofd bepereld!

Vervuld van 't hemelsch ideaal,
dat in u de oorsprong is van 't leven,
moogt gy aan melody en taal
dien Goddelijken indruk geven!
Gy moogt het wederspannig stof
ontstoffelijken, God ten lof,
en, oppermachtig, 't rijk van klank en zang regeeren!
Wie niet dien gouden schepter torscht,
dien moet de dichtvlam in zijn borst,
daar zy geen uitkomst vindt, uitblaakren en verteeren!

Wat zal ik dan, als mijn gevoel
zich-zelf herscheppen wil in zangen?
Ik heb geen uitdruk, dan te koel,
om 't vuur mijns harten op te vangen!
Moet dan die hartevlam versmoord? Neen! dringe u 't onvermogend woord
op d' adem van den wind, o Bilderdijk in de ooren!
Daar vormt het zich tot poëzy!
Gy leent het kracht en melody,
en leest in 't gloeiend hart, waaruit het werd geboren!

Ja, lees, lees in uws kweeklings borst,
in echte waarheidzucht ontsteken!
Zie daar zijn doel, zijn heil, zijn dorst,
en 't eenig voorwerp van zijn smeeken!
En o! die Godgewijde drift,
wat is zy me ander dan uw gift,
meer groot, meer koninklijk dan alle wereldtroonen?
Ge ontwikkeldet die hemellust
in 't hart, zich-zelf nog niet bewust,
en 't zwol van grootschen moed op 't zwellen van uw tonen!

Ja! 't zwelt van moed! van dankbaarheid!
't Voelt zicht verdubbeld in zijn leven!
'k Besef, ik weet het, wat het zeit,
't geen God door U my heeft gegeven!
My, balling van zijn zalig Oost,
my, sprank van Juda, Jacobs kroost,
eens bloeiend nog in 't Zuid, maar uitgedord in 't Noorden,
hebt gy hersteld van noodlots woên,
van 't lagn verval herâmen doen,
my-zelf erkennen, en......o hemel! zijn er woorden?

Vergeet' my mijner vaadren God,
zoo 'k ooit uw weldaad zal vergeten!
Vervolg' my menschdom beiden en lot;
ik zal me uw kweekling immer heeten!
O! brandend, kokend hijgt mijn jeugd,
om op uw spoor voor Waar en Deugd
(verleen' my God de kracht, en blijve aan Hem de glorie!)
in dien ontzachelijken strijd,
dien de Afval aanheft van dees tijd,
den dood te zoeken, of een heilige viktorie!

Neen, Teitsterbantsche krijgsbanier!
niet vruchtloos zult gy u ontplooien!
Een onverdoofbaar heldenvier
doet uwer scheptren gloed ontgloeien!
Waarheen ge ons vóórgolft, volgen wy,
wy, door de helsche razazerny
va 't lastrend volksgeschreeuw nog onverleid gelaten!
Wy, door een andren trek bezield,
dat 't geen deze aard nog overhield
voor hen, die, ter eer, God en zich zelf vergaten!

Leere ik het dichterlijk rapier
met onverwrikte hand regeeren!
Leere ik met wijs doordacht bestier
het Recht van Schoon en Waar verweeren!
En dan op 't monster aangerukt,
den Waan, die deze onze eeuw verdrukt,
en al wat hart heeft daagt te wapen!
En dan, den lofgalm afgewacht
van een verbeterd nageslacht,
ter eer van Bilderdijk, den dichter, den rechtschapen.

U, u o teêrgeliefde Vriend,
u zij de lauwertak geheiligd,
zoo ooit mijn schedel hem verdient,
die voor vergetelheid beveiligt!
U, u behoort mijn poëzy,
die ik aan Waarheid wijde, als gy,
u, 't diep erkentlijk hart, dat lucht zoekt in haar tonen!
O! als dat hart zich-zelf ontschiet,
en u zijn gloêde hulde biedt,
zal 't uwe, o Bilderdijk! zijn onmacht niet verschoonen?

ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

AAN BILDERDIJK

MET HET EERSTE DEEL MIJNER „POEZY."

Aan U behoort het rijk der Nederlandsche zangen! Bezit ik mooglijk daar een enkel plekjen grond,
ik heb dat edel goed van U in leen ontfangen:
met vreugde erkennen dit mijn boezem en mijn mond!
Met verzen uit mijn hart (geen bloote plechtigheden!)
verheergewade ik U dichterlijke leen,
ontfang mijn hulde dan! Ontfang op nieuw mijn eeden,
uw baanders trouw te zijn door alle tijden heen,
het zij een nietige aard my toejuicht of veroordeelt,
't zij roem mijn deel moet zijn, of een roemwaarde val!
En huldige ik aldus, op uw doorluchtig voorbeeld,
den Opperleenheer van 't Heelal!

1821.




ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

AAN BILDERDIJK

Een lofzang, Bilderdijk! een lofzang tot den hoogen
verkondige onze stem de glorie onzes Gods!
De zegepraal genaakt van CHRISTUS Alvermogen
op menschlijke ijdelheên en aardsche wijsheidstrots!
De Vorst des levens heerscht, Zijn rijk op aarde nadert,
het valsche licht bezwijkt, de nacht der logen vliedt!
De kudde, door Gods Geest onzichtbaar t' zaamvergaderd,
verwacht den Herder, die Zijn leven voor haar liet.
Vergeefs verloochnen Hem ontaarde Sadduceën,
wier waanverlichting thands de wereld overheert,
wier haat, afschuwlijker dan die der Phariseën,
het kruis van Jesus hoont, en schijbaar triumfeert!
De Hemel van 't gejoel dier tegensprekers storen:
we ontwaren reeds van verr' de ontzachlijke bazuin,
wier vollen klank weldra de Duivlen zullen hooren,
en storten, dol van schrik, hun eigen rijk in puin!
Wy zien den ochtendglans, die d' aakligsten des nachten
vervangt, en zwanger gaat van hemelheerlijkheid.
Bespotte, vloeke de aard! Wy weten wien wy wachten
Wy weten, wat triumf den Christen wordt bereid.
Heil ons! wy zien de wolk der toekomst zich ontplooien.
De strijd beslist zich. 't bloed der martelaren vloeit,
de Zoon des menschen komt! Tien duizend Heilgen stroooien
den palmtak voor Hem heen, in 't Paradijs gegroeid.
Heil my! dat ook mijn hart in de Evangeliebladeren
de stem erkennen mocht des Konings an 't Heelal!
Heil my! dat ook mijn geest de tijden mag zien naderen
van Jesus weêrkomst en des Aartverleiders val;
de Profecy zich in de teeknen zien verklaren
van ieder nieuwen dag, die aan de kimmen rijst,
ja zelfs de heemlen dat Jerusalem zien baren,
op wiens geboortestond de hoop des Christens wijst.
Mijn Vader! kan het zijn? Was my dat heil beschoren,
Gods Zoon te erkennen in het Wicht van Bethlehem?
My, in de dwaling van dat Israël geboren,
sints achttien eeuwen door voor eens Verlossers stem?
My, my onwaardige sloot zich die hemel open,
die hemel van geloof in Jesus Christus naam?
'k Mag op de heerlijkheid der Englenwereld hopen,
ik, aardworm, die me 't licht zelfs dezer aarde schaam?
Ja! 'k mag het! 'k Zie den tijd, den tijd van glorie naderen,
die heil moet brengen aan heel 't kroost van Abraham!
God wil het overschot dier droeven weêr vergaderen,
die afgehouwen zijn van d' allereêlsten stam!
Ja! 'k roem op Uw genâ, gezegend Alvermogen!
(o! dat dit roemen door heel de aarde werd gehoord!)
de schel des ongeloofs viel eensklaps van mijn oogen 'k werd Christen...God van heil! Bezegel dit mijn woord!
't Was daartoe, dat de hand der alvoorziende Goedheid
van de eerste kindschheid af mijn dagen strekken deed!
Want ach! die kindertijd, voor andren zoo vol zoetheid,
was my een bronwel van verteerend boezemleed;
en 't rustloos gevoel, dat toen mijn ziel bezwaarde,
bleerf, drukkender dan ooit, mijn sombre jonkheid by:
ik vroeg om laafnis by den hemel en by de aarde den hemel kende ik niet, een de aarde haatte my!
Toen leidde my Gods gunst tot U, mijn vriend! mijn Vader!
Ik zag U, en mijn hart ging open voor de hoop.
Uw wijsheid vormde my verstand en hart te gader,
uw hand ontsloot voor my een nieuwen levensloop.
Gy leerder me uit de lier een nieuwen zangtoon lokken,
doch niet voorde aarde! Gy, voor Schoonheid, Waarheid, Recht,
met enkel poëzy gewapend, onverschrokken
ten strijd gaan, schoon ons de aard haar lauwer ook ontzegt!
Gy, bovenal, de list des Ongeloofs verneêren,
terwijl het om ons heen zijn helsche zaden strooit,
het bloed, waaruit ik spruit, beminnen en waardeeren,
en Isrels Heilgen God aanbidden, meer dan ooit!
„Mijn zoon! Blijf aan de hoop op uw Messias kleven,
„de hoop des Christens is, als de uwe, uit Israël!
„uit Israël ons licht, en zaligheid, en leven,
„der heemlen glorie, en de nederlaag der hel."
Dit zeidet ge, en niet meer! Noch drongt my 't woord van 't Leven
voorbarig op! Uw taal schoot wortels in mijn ziel!
Maar o! (gy wist het) God-alleen kon wasdom geven
aan 't hemelzwangre ...
Page: 1
 

Help

  • Select one or more words and get availables translations in Logos Dictionary.
  • Set the number of words for each page and refresh the content.
  • Go to the beginning of the document
  • Go to previous page
  • Go to next page
  • Go to the end of document
  • Libri.it

    Libri.it ROSALIE SOGNA…NELL'ACQUA – Nuova edizioneIL MAIALELUPO
  • Illustrati

    Sfoglia riviste di Illustrati