ISAÄC DA COSTA (1798-1860)
1 6 4 8 E N 1 8 4 8
UITGESPROKEN IN DE
OPENBARE VERGADERING,
DER TWEEDE KLASSE VAN HET KONINKLIJK
NEDERLANDSCH INSTITUUT VOOR
WETENSCHAPPEN, LETTEREN EN
SCHOONE KUNSTEN, OP DEN 25STEN APRIL 1848.
Op dat men wete van den opgang der zon en van den ondergang,
dat er buiten My geen God is. Ik ben de Heer en niemand meer.
Ik formeer het licht en schep de duisternis. Ik maak den vrede
en schep het kwaad. Ik de Heer doe alle deze dingen. - Jesaja XLV : 6, 7.
Zestienhonderd acht en veertig!
Door geworsteld was de kamp, ent ten eind de schriktafreelen
van een dertigjaar'gen ramp,
en vergaan de laatste vonken
van den tachtigjaar'gen brand!
Vrede! Vrede! galmde Europe, vrede, Duitsch- en Nedeland!
Uit de graauwe kruiddampwolken
steeg een koestrende zon!
Nieuwe tijden zijn voldragen,
en een nieuwe loop begon.
Achtienhonderd acht en veertig
en de band der Staten sprong,
en de dam werd doorgebroken,
die de Omwentlingszee bedwong!
Oorlog! oorlog! davert de aarde,
oorlog! oorlog! schier verjaard,
lang door weeën aangekondigd,
thands in vollen dosch herbaard!
In d' orkaan van Februarij
werd gebluscht de Julijzon!
en daar rezen nieuwe tijden
en een nieuw Euroop begon.
Te midden van 't rumoer van omgeworpen troonen,
paleizen neêrgehaald, en aangegrimde kroonen,
't gedeun der volkeren, in gramschap opgestaan,
den knal van glansen, uur aan uur te niet gegaan,
en 't openbersten van den vuurberg, die de kimmen
der toekomst dekt met rook, of als van bloed doet glimmen, heeft Duitschland, heeft Euroop. heeft Nederland nog voor
herinneringen uit een vroeger dag gehoor?
Zoo zij 't voor dezen galm: de vrede van Westfalen!
Geschiedkunst op dien naam wijst hemelwaart. Haar zalen
slaan open, waar vergaârd een talloos voorgeslacht
de wanden overdekt met daden, lang volbracht,
van eedle koningen, van aartsgeweldenaren,
van helden, wijzen of regenten, martelaren,
of wrekers, natiën en stammen. Isnaburg
en Munster keeren hier op de eb des tijds te rug;
onsterflijke aardplek, waar twee vuurrivieren stolden,
die in elkaâr gevloeid reeds zoo veel jaren holden,
wijd over berg en dal de gronden zengend! Ziet
de sporen van hun loop in 't eindeloos verschiet
van wegen, dicht bezaaid met blanke beendren, - steden,
verpletterd of ontvolkt by duizend ijslijkheden;
hier Naarden, Haarlem en Ostende, of waar verwoed
de Spanjaard afstuit op een uitgevasten stoet, ginds, gruwzaam boven al wat ooit kronyken meldden,
den moord van Maagdenburg! maar links en rechts uw velden.
o Nordlingen! uw' kamp, o Leipzig! en den slag
dien, Maurits! Nieuwpoorts zon u winnen hielp en zag.
Ha! op dat bloedig zand, die platgeschoten muren,
wat scheemring, weemlend van platgeschoten figuren,
krijgshoofden, aan elkaâr in stoutheid en genie
gewaagd, maar ongelijk in grootheid! daar, Tilly
en Weimar, - Wallenstein, nog wijzende op de wonde
ontfangen op geen bed van eer, maar op zijn spond
in nachtelijk geheim! en, óver hem, de Held
van 't Noorden, in den arm der zegepraal geveld!
Hier tegen Spinola en Alva en Fernese,
het Graaflijk twintigtal, in hunnes Heeren vreeze
tot aan den jongsten snik uw krijgsdevies getrouw,
vliesridder Engelbrecht! „Ce sera moi, Nassau!"
Maar in geheel die rij, wier schaduwen hier zweven,
wie achtbaar meer dan Gy, wie nevens u verheven,
doorluchtig Prinsenhoofd! wien na driehonderd jaar
dit Neêrland nog vereert, als d' eêlsten martelaar
der vrijheid, die 't u dankt? Beleid - en krachtvol Krijger
en éénig Staatsheld! diep maar ongekunsteld Zwijger
en zielvol spreker! in wiens nooit bekrompen borst
één zelden adem schept de Volksvriend en de Vorst! Wat vijanden, zoo koen, die hem de kroon betwisten
van Staatsbezieler en bevrijder? Maar de Christen
eert eindloos meerder nog inhem; in hem dat hart,
zoo sterk in eigen leed, zoo week voor andrer smart;
dat hart, ten worstelkamp met Karels zoon bewogen
het eerst door deernis met verdrukten, mededoogen
met bloedgetuigen van Gods Woord! Straks greep dat Woord
hem-zelven in de ziel. Ach voor die zaak doorboord,
was ook zijn laatste zucht een bede van ontferming
voor 't volk, in allen nood, van hoogere bescherming
dan aardsche mogendheên verzekerd door zijn mond.
Gedenk, God van genade, aan dat geloofsverbond!
Gedenk het nog, kan 't zijn, hoe ook van onze zijde
geschonden en verbeurd! Gedenk het t' allen tijde,
't zij Dwangzucht persende van boven ons bedreig',
of opdage, even snood, van ondren! Neig, o! neig
het hart van Vorst en volk, om raad by U te vragen
voor d' eisch, de schuddingen, de krankheên onzer dagen!
De wijsheid, die Uw gunst aan d' Eersten Willem gaf,
strale op het moedig hoofd een Tweede zeegnend af!
't Zijn viermaal vijftig jaar. - Oranje had zijn leven
aan 't diep geworteld werk groothartig prijs gegeven;
zijn bloed, zijn goed, zijn zaad! Twee nieuwe Wrekers treên
veroovrend in zijn plaats! Een kroon van vijftig steên
lankt Utrechts Unie van hun zwaard. Hun zegepralen
voltooid, of stuit veeleer, de vrede van Westfalen.
De Maagd van Neêrland hief haar hoofd op, en zag rond!
Wat zag zy? enkel puin op uitgeblaakten grond
door Spanjes steeds op nieuw als opgeschoten horden?
Of wel - den lavastroom reeds vruchtbaar veld geworden?
Neen! onder 't barnen zelf van 't tachtigjarig wee
een Staat volwassen, en reeds Mogendheid! de zee
ontzagvol deinend voor den donder van die vloten,
die 't ijs des Noordpools haast hadden doorgestoten,
maar straks langs zeekrer weg der Oceanen kloof
doorsnelden, om Filips zijn Portugeeschen roof
te ontscheuren, ook in de Oost geen Spanje te gehengen,
de Javaas Paradijs een nieuwe wet te brengen.
De Maagd van Neêrland hief het hoofd op; ja! zy zag,
lang nog vóór d' eersten straal van Munsters vrededag,
de wereldhandel met zijn honderden haar steden,
voor 't stormen onvervaard des oorlogs, ingetreden;
Antwerpen, Lissabon, Venetië, aan het IJ
verplaatst, dat sints omgord met zijn vierdubble rij
(het Raadhuis volgde eerlang) van prinselijke grachten,
de wonderen dier eeuw nog zegt den nageslachten den zegen van een grond, die d' armen voedzaam brood,
de arbeid overvloed, den balling 't welkom bood!
De Maagd van Neêrland looft. Gods wateren besproeien
haar zevenvoudig erf, en al haar velden bloeien
in schaduw van de rots der vreeze van Zijn naam!
De krachten des Vernufts gaan met dien bloei te zaam:
de kunst, die 't water keert of d' uitweg aan zal wijzen;
de kunst, die 't klei bezielt, die 't marmer op doet rijzen; -
Het doek van Rembrandt, forsch en somber; 't bruischend lied
van Keulens Zangzwaan met zijn vlammend koloriet,
zijn vollen orgeltoon. Maar ook de Wetenschappen
beraamden hier alreeds haar stoute reuzenstappen,
om nieuwe werelden te ontdekken of te ontleên
in d' ether boven, in den waterdrop beneên.
Een trits van Scholen, bron en brandpunt van beschaving,
(ook zy, by krijgsalarm geplant!) stort licht en laving
aan al wat kennis zoekt op 't aardrijk wijd en zijd,
die kennis bovenal, die van de zonde vrijdt.
De Kerk van Christus slaat dees tijden dankend gade,
en geeft haar Koning de eer, - Zijn Vrijmacht, Zijn genade!
Neen! roept ze, Uw gangen zijn als de onze niet, o Heer!
uw wegen boven de onze èn hoog èn heerlijk, meer
|dan boven dit ons stof en d' aardklomp, waar we op weemlen
de glans en majesteit van Uwer heemlen heemlen!
Wat menschlijk overleg zou hebben toegedacht
aan vredesjaren, lang en koestrend en zacht,
dat voert uw wijsheit uit door tusschenkomst van schokken,
die uit de sombre wolk den malschen regen lokken!
Hoe nu? de krijg voortaan niet vreeslijk meer den mensch?
Geen kalme vrede meer zijn uitzicht en zijn wensch? 't Zij ver! Maar menschen geest, verslingerd aan deze aarde
heeft vaak ook deze gaaf en wat haar weldaad baarde,
gemisbruikt en miskend, de rust verkeerd in lust,
ten doodelijken slaap zich-zelven ingesust,
of wel den stroom des bloeds, die vrij en frisch moet bruischen,
bevriezen laten of vermoddren in zijn buizen.
Neen, meer! des menschen ziel in eigen wil verstrikt,
in 't zondenet verward, moet somtijds opgeschrikt
van Boven, om den God der heerlijkheid te vreezen,
te zoeken! Is dan 't hart nog vatbaar voor genezen,
dan zijn die schuddingen behoudend, zelfs de krijg,
het zij der volken of de geesten, op dat zwijg'
begoochling, - opengaan gewetens, - afgoôn vallen,
Gods Woord zijn werking doe door 't kruis, - den duizendtallen
der opgeschrevenen ten leven, tot een stof
van aller eeuwen loop doordaverende lof!
Dan eerst, als van haar ban deze aarde zal bevrijd zijn,
de menscheid aan den Heer, die haar herschiep, gewijd zijn,
geen zee meer wezen zal, waaruit de zonde welt,
Geweld en Onrecht in hun eeuwgen boei gekneld, dan eerst zal 't vrede zijn, waaraan geen wormen knagen,
dan eerst, naar den raad van 't hemelsch welbehagen,
geen strijd meer nodig. - maar Gods heil te zien, de lust,
en in alle eeuwigheid Zijn werk te doen, de rust.
Zestienhonderd acht en veertig!
en doorworsteld was de kamp, en ten eind de schriktafreelen
van dertigjaar'gen ramp,
en vergaan de laatste vonken
van den tachtigjaar'gen brand!
Vrede, vrede! galmde Europe Vrede! Duitsch - en Nederland!
Achter graauwe kruiddampwolken
stijgt een koesterende zon!
Nieuwe tijden zijn ...
|
|
|
|
|
|
|
|
|