Title: ALFONSUS DE EERSTE

Author:COSTA ISAÄC DA
Subject:OTHER LITERATURES
Source:
Download book:
Words Statistics:words statistics
 

Number of words for page:
ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

ALFONSUS DE EERSTE

TREURSPEL




PERSONAADJEN.



DON ALFONSUS, Zoon en opvolger vanGraaf Hendrik vanPortugal.

DONA MATHILDA, zijne Echtgenote.

DONA THERESIA, Weduwe van Graaf Hendrik, moeder van Don Alfonsus en hertrouwd met

DON FREDINAND PERES, Graaf de TRAVA, Castiljaansch Edelman.

DON EGAS MONIZ, Portugeesch Edelman, opvoeder van Don Alfonsus.

OMAR,Afgezant van den Oppervorst der Mooren.

DON LORENZO D'AGANIL, Hoofd vanDon Alfonsus Lijfwacht.

DON PEDRO D'AVILA, Hoofd van Graaf de Travans Lijfwacht.

DONA LEONORA, Vertrouwde van Dona Mathilda.

Een Schildknaap.

Spaansche en Portugeesche Edellieden, aan de Trava gehecht, met DON ALONSO GOMEZ aan hun hoofd.

Porugeesche Edellieden.

Lijfwachten van Don Alfonsus en de Trava


Het Toonneel is te Guimaraens, de toemalige Hoofdstad, liggende op de rivier den Ave. Het Eerste, Vierde en Vijfde Bedrijf speelt in het Paleis van Don Alfonsus,, het Tweede en Derde Bedrijf in dat van den Graaf de Trava. - Het stuk neemt een aanvang tegen den middag van den eenen dag en eindigt tegen dien van den volgenden. Tusschen het Derde en Vierde Bedrijf onderstelt men de ruimte van éénen nacht.




ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

ALFONSUS DE EERSTE



EERSTE BEDRIJF

EERSTE TOONEEL

DONA MATHILDA, DONA LEONORA.





LEONORA.

Hoe! steeds verdiept, Mevrouw, in zorgen zonder baat!
Het uur des nachts voert u geen troost; de dageraad
verrascht uw slaaploos oog in steeds vernieuwde tranen
Wij zien op uw gelaat den glans der jonkheid tanen
on nevelen van smart! Gy, eedle deelgenoot
der trouw, die heel een volk, door moed en braafheid groot,
aan de afkomst toedraagt van den held, die 't deed herbloeien.
gy, wier aanminnigheid zijn boezem deed ontgloeien
in lefdem, waar hij sints geheel zijn lust in vond.
gy, treuren zonder end waar 't al u heil verkondt!
We eerbiedigen, Mevrouw, de smart, die gy doet blijken,
maar 't zachte vrouwenhart pleegt eerder te bezwijken
voor ingebeeld gevaar en dreiging van het lot.
Zoo smoor die bange vrees, wier foltring u 't genot
der kalme zielrust voor licht eeuwig kan verstoren!
De vaderlijke kroon is uw gemaal beschoren,
en ras verrijst de zon, die u begroeten zal
als wettige Gravin van 't juichend Portugal!
O! laat geen knagende angst u zulk een hoop verbittren!
De dag, door ons verbeid, zal onbeneveld schittren.

MATHILDA.

Mijn Leonoor! helaas! hoe dikwerf heeft mijn hart
zich zelf de weekheid niet verweten van zijn smart?
Onwillig baadt mijn oog in tranen: zucht op zuchten?
beklemmen my de borst, als stond me een slag te duchten,
niet af te keeren en verschrikkingsvol. 'k Aanbid
de deugden van een Gâ, die heel mijn ziel bezit!
De kroon, waarmeˆzijn hand my eenmaal moet versieren,
is dierbaar aan mijn hart; maar waan de flonkervieren
der vorstendiadeem niet machtig om mijn wond
te heelen! 't Is die min, die my aan hem verbond,
wier zorgen dus mijn borst, en rusteloos, bezwaren.
Ach! ieder oogenblik verdubbelt de gevaren,
waaraan mijn angstig oog Alfonsus bloot ziet staan!
Bedriegelijke tijd, wiens voorspoed my den waan
van onverstoorbaar heil, zoo onbeddacht, deed kweken,
uw uitzicht is van my voor eeuwig afgeweken!
Mijn Leonoor, uw trouw herinnert zich dien tijd,
toen heel mijn aanzijn, aan de zoetste hoop gewijd,
niet vatbaar dan voor vreugd, geen kommer kon vermoeden
aan mijn Alfonsus zij. 't Noodlottig uur moest spoeden,
dat my heel de ijslijkheid mijns noodlots opensloot.
Sints drukt me een looden zorg ter neêr: mijn oog verstoot
den slaap, geen troost, hoe lief, vermag mijn moed te sterken
'k Doorzag met killen schrik wat heerszucht kan bewereken!
En waar ik de oogen wend, of waar ik toevlucht zoek,
't vertoont zich overal als of des hemels vloek
gereed staat op het hoofd van mijn gemaal te daen!

LENONORA.

Wat laat ge dus, Mevouw, uw sombre geesten dwalen
in 't uitzicht op een smart, die gy u-zelve baart!
Waar is die donkre wolk, van jammeren bezwaard,
waar 't voogevoelig hart een onweêr uit kan spellen!
Laat af door ijdle zorg uw teedre jeugd te kwellen,
of leer my wat de bron van zoo veel angsten zij!

MATHILDA.

Een vreemdling oefent hier Graaf Hendriks heerschappij,
en de erfgenaam van 't rijk, door goddelooze boosheid
verraderlijk verdrukt in doffe werkeloosheid.
ziet, in zijn toorn geboeid, door die hem 't leven gaf
zijn heiligst recht vertreên op 't vaderlijke graf!
Alfonsus lijdt dien hoon, en ik, ik zou niet beven?

LEONORA.

O! dat dees schrikbare angst uw boezem moog begeven!
Hoe! daar heel Portugal den blijden dag verbeidt,
waarop de Trava zelf uw Gâ ten troon geleidt,
Gelukkig in den glans, die van zijn kruin zal stralen......

MATHILDA.

Onnoosle!...... doch ook ik moest eens zoo argloos dwalen!
gy kent de Trava en zijn echtgenoote niet!
Zy willig afzien van het vorstelijk gebied?
Zy-zelven Hendriks kroost rijks erfgenaam verklaren,
of dulden dat het heersch', waar zy eens meester waren?
'k Erken 't, de Trava's list en huichlend gelaat
ontveinst met de eigen kunst zijn heerschzucht en zijn haat;
maar nooit gelukte 't hem Alfonsus te misleiden!
Wie meldt de ontwerpen al, steeds uitgedacht door beiden,
(Graaf Hendriks Weduw en den Voogd van Protugal!)
om hem op 't wettig huis te storten in zijn val?
Naauw had Don Hendriks dood de teugels dezer Staten
aan 't moederlijk bestier der rijksvoogdes gelaten,
tot eens mijn Egâ zelf, met mannelijke kracht
zijn rechten oefnen mocht, of zy, terstond bedacht
haar kroost, haar eigen kroost van de oppermacht te weeren,
en met geroofd gezag zijn volken te regeeren,
deelt door een tweeden trouw de schendige voogdij
een vreemden krijgsman meê, heerschzuchtig, trotsch, als zy,
wines listig staatsbeleid en oorlogsfaam haar sterken
in 't gruwelijk ontwerp, dat zy hier uit wil werken.
Sints was Alfons steeds het voorwerp van haar haat,
de haat, o hemel! van een moeder! Men bestaat
in 't eerst den heldenmoed van 't jeugdig hart te stremmen,
en houdt hem, brandende de vuist on 't zwaard te klemmen,
in laffe rust geboeid, op dat hy dus het bloed
waaruit hy d'oorsprong nam verloochnend, het gemoed
des dappren Portugees zich zou afkeerig maken,
en, diep vervallen, uit die sluimring nooit ontwaken.
En mooglijk waar die list, waarvan gy gruwt, gelukt,
had niet de braafste held hem aan 't verderf ontrukt;
Don Egas, steeds gereed zich voor zijn Vorst te wagen,
dorst met standvastigheid zy zich by den Voogd beklagen.
dat grooten Hendriks zoon dus vreemd bleef aan het staal,
en voert zijn kweekeling ten strijd, ten zegepraal!
Van daar is 't, zoo mijn Gâ een oorlogsroem mocht winnen,
wiens grootheid zijn naam vereeren doet en minnen,
en by den Saraceen nog siddering verspreidt.
En thands, daar heel het volk en de adel zich bereidt,
hem plechtig 't hoog gebied zijns vaders op te dragen,
thands poogt men steeds dien dag op 't kunstigst te vertragen,
en voelt aan alle kant om zich in de oppermacht
te staven; wat ik zie, is my van hun verdacht!
Alfonsus midderwijl, wiens fier en moedig harte
geweld en onrecht haar, verkwijnt als ik in smarte.
Aan 't welzijn van zijn volk, aan zijn geheiligd recht,
aan de eer zijns Vaders met geheel zijn ziel gehecht,
had hy sints lang de smet, die op hem kleeft, gewroken,
werd niet zijn gramschap nog, hoe fel in 't bloed ontstoken,
weêrhouden door den naam, dien zijn vervolgster voert,
En nu, mijn Leonoor, ('k zie u als my, ontroerd!)
Is 't zwakheid, zoo ik leve in zorgen, tranen, klachten?
Wie weet wat wreede slag mijn liefde staat te wachten?
Aan wat verschrikklijk lot ons huis is blootgesteld?
De Staatzucht kent geen wet, waar 't overmeestring geldt!
Ja, mooglijk ('k ijs van 't woord, dat ik hier uit ga spreken!)
durft ze in Alfonsus bloed haar snoode ontwerpen wreken!

LEONORA.

Wat siddring grijpt my aan, op 't hooren van dees taal!
Ach! 'k deel thands in uw angst, Mevrouw...... Doch uw Gemaal
schijnt met zijn trouwsten Vrind zijn schreden hier te richten;
licht dat uw treurigheid voor hun gesprek zal zwichten:
'k verwijder my.





TWEEDE TOONEEL

DON ALFONSUS, DON EGAS, DONA MATHILDA.





MATHILDA.

Wel nu, mijn dierbre, brengt ge in 't end
vertroosting aan een hart, der vreugd sints lang ontwend?
Of heeft uw Egâ nog die sombeheid te vrezen,
die op uw voorhoofd heerscht! en meldt my heel uw wezen
't verschrikkelijk besluit, dat in uw boezem broedt,
als onherroepelijk aan? O! schenk mijn teêrheid moed!
He deernis met een angst, de plaag van beider leven,
waarvan mijn hart door u, of nimmer wordt onheven!

ALFONSUS.

Geliefde, heeft die vrees, en my en u onwaard,
zoo diep geworteld in uw geest? Verbeelding baart
der liefde van een vrouw, die zoo als gy kan minnen,
bezorgdheid zonder perk, door liefde te overwinnen.
Ja, dierbre, veel te lang tegeert heir de overmoed
eens vremdlings, die op de asch, op de eer mijns Vaders woedt,
wiens lage heerschzucht, op mijn rechten dol verbolgen,
mijn moeder eigen kroost leert haten en vervolgen!
Te lang zucht Portugal naar vorsten, harer waard,
en de Adel schaamt het zich het eerlijk oorlogszwaard
te voeren tot den dienst ...
Page: 1
 

Help

  • Select one or more words and get availables translations in Logos Dictionary.
  • Set the number of words for each page and refresh the content.
  • Go to the beginning of the document
  • Go to previous page
  • Go to next page
  • Go to the end of document
  • Libri.it

    Libri.it COSIMOIL GIARDINO DI ABDUL GASAZIIL MAIALELA FAMIGLIA VOLPITASSI RACCONTA – GLI ALBERI
  • Illustrati

    Sfoglia riviste di Illustrati