CHARLES PERRAULT
De schone slaapster
In een groot land waren eens een koning en een koningin die elke dag tegen elkaar zeiden: "Hadden we maar een kindje." Vele jaren gingen voorbij, maar hun wens ging niet in vervulling.
Op een keer, terwijl de koning langs de vijver van het paleis wandelde, sprong een kikker uit het water en kwam voor de voeten van de koning terecht.
De koning nam de kikker op en toen begon het diertje te spreken:
"Lieve koning," zei de kikker, "als je me weer neerzet, zal ik je liefste wens vervullen."
De koning schrok zo erg, dat hij de kikker liet vallen. Dadelijk verdween het diertje in de struiken.
"Ik zal het maar gedroomd hebben," dacht de koning.
Maar neen hoor, wat de kikker had beloofd, gebeurde een jaar later. De koningin kreeg een dochtertje.
Het was zo'n mooi meisje, dat de koning van vreugde alle klokken in het land liet luiden.Er werd een groot feest voorbereid. De koning stuurd uitnodigingen naar al zijn familieleden. Ook de feeën kregen een uitnodiging, want die zouden zeker een goede wens voor het prinsesje meebrengen.
Op de dag van het doopfeest kwamen alle genodigden naar het paleis. Er waren wel vijfduizend mensen die de koning een hand moest geven. Toen hij eens rondkeek om te zien of hij niemand had vergeten, zag hij dat één van de feeën niet gekomen was.
"Ik zal zeker vergeten hebben haar een uitnodiging te sturen," dacht de koning.
Maar hij vond het helemaal niet erg. Er waren op het feest toch al vier feeën die wensen hadden meegebracht.
Nadat iedereen rond het bedje van de kleine prinses was gaan staan, kwamen de vier feeën naar voren.
De eerste fee zei: "Ik wens dat het prinsesje tot het mooiste meisje van de wereld zal opgroeien."
De koning en koningin klapten in hun handen van vreugde.
De tweede fee zei: "Het prinsesje zal het verstandigste meisje van het land zijn."
"Dat is een heel mooi geschenk," zei de koningin blij.
De derde fee zei: "Ik wens dat het prinsesje niet alleen mooi en verstandig wordt, maar ook een goed hartje krijgt."
"Waar is dat goed voor?" vroeg een oude tante.
De koning keek haar boos aan en zei: "Een goed hart is heel belangrijk voor een prinses."
De vierde fee had ook een wens meegebracht. Maar voor ze iets had kunnen zeggen, ging plots de deur van de zaal open en daar stormde de fee binnen die geen uitnodiging had ontvangen.
Ze was zo kwaad, dat ze zonder iemand te groeten, voor het bedje van het prinsesje ging staan en zei: "Ik ben niet uigenodigd op het feest, maar ik heb toch een wens meegebracht. Als het prinsesje vijftien jaar oud is, zal ze zich in haar vinger prikken met een spindop en dadelijk daarop zal ze sterven. Dat is mijn wens."
Zonder verder een woord te spreken, draaide boze fee zich om en verliet de zaal.
De arme koningin was zo geschrokken dat ze flauw viel. Terwijl iedereen zich rond haar verdrong, riep de koning woedend: "Hierbij beveel ik dat de boze fee voor eeuwig uit dit land wordt verbannen."
En hij stuurde zijn beste ruiters achter haar aan. Maar die keerden even later onverrichterzake terug. De boze fee was spoorloos verdwenen.
Er heerste zo'n droefheid onder de aanwezigen, dat niemand dacht aan de vierde fee die nog geen wens had uitgesproken. Op dat ogenblik kwam ze naar voor.
Ze zwaaide met haar toverstokje en zei: "Ik kan de boze wens van een andere fee niet ongedaan maken, maar wel verzachten. Ik wens daarom dat het prinsesje niet zal sterven als ze zich in haar vinger prikt, maar dat ze in een slaap zal vallen die honderd jaar zal duren. Alleen een prins zal haar uit die slaap kunnen wekken. Dat is mijn wens."
Toen de koning dat hoorde, dankte hij de goede fee. HIj gaf bevel dat alle spinnewielen in het land verbrand moesten worden. En zo gebeurde dat ook.
Er was maar één spinnewiel dat vergeten werd en dat behoorde toe aan een heel oud vrouwtje. Zd woonde in een zolderkamertje van het paleis. Ze spon er zijde voor de japonnen van de koningin. Er kwam nooit iemand op het zolderkamertje en daarom was er ook niemand die aan het spinnewiel dacht.
Het prinsesje groeide op en de wensen van de drie feeën gingen in vervulling. Ze was zo mooi, dat de koningszonen uit de naburige landen om haar hand kwamen vragen. Ze was zo verstandig, dat de koning de geleerdste mannen van het land liet komen om haar les te geven.
En ze had zo'n goed hartje, dat ze ervoor zorgde dat niemand in het land honger leed.
Op de dag dat het prinsesje vijftien jaar geworden was, gebeurde het dat de koning en de koningin afwezig waren. Het prinsesje bleef alleen achter en besloot eens op onderzoek uit te gaan in het paleis.
Ze neusde in alle zalen en vertrekken. Ze liep trap op, trap af, de ene gang in, de andere uit. Zo kwam ze tenslotte op de zolder voor een klein deurtje terecht. Er stak een roestige sleutel in het slot. Ze draaide die om en dadelijk sprong het deurtje open.
Nieuwsgierig keek het prinsesje in het zolderkamertje. Er zat een oud vrouwtje bij het raam vlas te spinnen. Het spinnnewiel snorde en gonsde.
"Goedendag, moedertje," zei het prinsesje vriendelijk. "Wat ben je daar aan het doen?"
"Ik ben aan het spinnen," antwoordde het vrouwtje.
"Wat voor een ding is dat daar, dat zo leuk ronddraait?" vroeg het prinsesje, terwijl ze vastberaden het kamertje binnenstapte.
Het oude vrouwtje legde het haar uit.
"Mag ik je niet helpen?" vroeg het prinsesje.
"Spinnen is niets voor jonge dames," antwoordde het vrouwtje. "Maar je mag wel even de spindop vasthouden."
Ze gaf het prinsesje een spindop waarop mooi vlasgaren gedraaid was.
"O, wat een leuk haar voor mijn poppen!" ripe het prinsesje. "Geef mij deze spindop."
De oude vrouw keek wel even bedenkelijk, want ze had lang moeten werken om het vlas zo mooi gesponnen te krijgen. Maar ze had ook een goed hart en daarom zei ze tenslotte dat het prinsesje de spindop mocht houden.
Haastig keerde het meisje terug naar haar slaapkamer. Ze haalde haar mooiste poppen te voorschijn. Op dat ogenblik prikte ze zich met de spindop in de vinger, precies zoals de boze fee had voorspeld.
Het prinsesje viel neer op haar bedje en verzonk in een diepe slaap. En die slaap verbreidde zich snel over het hele paleis. Het vuur in de haard doofde uit. Het gebraad boven het vuur hield op te pruttelen. De kok, die de keukenjongen net aan de oren wilde trekken, bleef onbeweeglijk staan en viel in slaap. De hofdames, de dienstmeisjes en zelfs de schildwachten op de toren van het paleis bewogen niet meer. In de stallen waren de paarden in slaap gevallen en de staljongen stond er roerloos bij met een baal hooi in zijn armen.
Toen de koning en de koningin 's avonds terugkwamen, schrokken ze heel erg. Ze zagen de lakeien in de gang staan, onbeweeglijk als standbeelden, met de zilveren schalen in hun handen. De koning begreep dat de wens van de boze fee in vervulling was gegaan.
Plots werden ze allebei zo moe, dat ze in een zetel gingen zitten. De koning rekte zich uit en de koningin geeuwde. Even later waren ook zij in een diepe slaap gevallen.
In de tuin van het paleis begon het onkruid hoog op te schieten, want er was geen tuinman om te wieden. De doornstruiken groeiden zo snel, dat weldra van het hele paleis niets meer te zien was, zelfs niet de vlag op de top van de hoogste toren.
Door het hele land ging toen het verhaal van het mooie prinsesje. Omdat niemand haar kon bereiken door de doornstruiken, werd ze al spoedig Doornroosje genoemd.
Er gingen vele, vele jaren voorbij. De mensen werden oud en vertelden het verhaal aan hun kinderen. En die vertelden het weer verder aan hun kinderen. Nu en dan kwamen er koningszonen die over de schoonheid van Doornroosje hadden gehoord. Ze wilden dwars door de doornstruiken dringen om het paleis te bereiken. Toen dat niet lukte, brachten ze scherpe zwaarden mee en hakten erop los. Maar zodra ze een struik hadden weggehakt, schoten er dadelijk twee nieuwe op.
Een erg verstandige prins zette alle houthakkers van het land aan het werk om een pad door de struiken te hakken. Na de hele dag gewerkt te hebben, waren ze nog niets opgeschoten. De haag was nog dichter dan tevoren. Mismoedig keerde hij naar zijn land terug.
Weer gingen vele jaren voorbij. Steeds minder prinsen waagden een poging om het paleis te bereiken. De mensen begonnen te denken dat de bozen fee nu in het paleis woonde en dat daarom niemand door de doornstruiken kon dringen. Maar dat was niet mogelijk, want de koining had de boze fee uit het land ...
|
|
|
|
|
|
|
|
|