Title: DE PERZEN

Author:COSTA ISAÄC DA
Subject:OTHER GERMANIC LITEREATURES
Source:
Download book:
Words Statistics:words statistics
 

Number of words for page:
ISAÄC DA COSTA (1798-1860)




DE PERZEN (1816)




EERSTE TOONEEL



---------------------------------------------------------------------DE REI.


Het heir de Perziaansche scharen
dat voor 't gewoel der krijgsgevaren
den vaderlandschen grond verliet,
heeft ons de zorg van al hun schatten
op Konings voorbeeld op doen vatten,
die heel zijn machtig rijksgebied
vertrouwde aan dees zijn uitverkoren.
Darius, dierbre telg! ach keer!
Breng ons die fiere manschap weêr!
O! mocht ik 't voorgevoel versmoren
dat my een gruwzaam lot voorspelt!
Trok niet heel Azië te veld?
Terwijl we in eindelooze klachten
om onze jongelingschap versmachten,
vergeefs van dag tot dag verbeid,
en in de wreedste onzekerheid
een boô zelf vruchteloos verwachten.
Gy Suze, Cissa, Ekbataan!
gy zaagt uw muren dan verlaten,
uw jeugd, gewapend tot soldaten,
in woesten moed' naar 't strijdperk gaan,
Hen voert de bloem van onze Grooten,
Amistres, Artaphernes aan,
en Megabazes, deelgenooten
van vorstelijke macht en eer,
en hoofden van een talloos heir
van zaamgedrongen ruiterscharen
en schutters vol ervarenheid;
een leger, tuk op krijgsgevaren,
wiens enkele aanblik schrik verspreidt.
Niet minder uitgelezen helden
verzellen stouten Pharnaces,
Iméus en Artembares;
Daar zelf de korenrijke velden,
bevrucht door 'sNijlstroom koestrend slijk,
ontelbare onverschrokken benden
volijvrig tot hun koning zenden,
Pegaston, tot in 't Egiptisch rijk
geboren, en die Memphis muren
en Thebes oude vest besturen,
zijn aan de spits dier legermacht.
't Moerassig land geeft vlugge knapen
om 't handig roeien hoog geacht.
De Lydiër, in wulpsche pracht
verzonken, rukte meê te wapen.
en volgt geheel het vasteland,
dat van het edelst krijgsvuur brandt,
en schaart zich moedig om de vanen
van konings machtige onderdanen,
wien hy dees streken heeft vertrouwd.
Het vorstelijk Sardes, rijk in goud,
geeft keur van kostbre wagenscharen,
Wier breede rangen ijzing baren.
Maar Mardon voert van Tmolus voet
zijn krijg'ren aan, in 't heetst verlangen
den Griek in ketenen te prangen.
Het roemrijk Babel zendt een stoet
van schepelingen, en schuttersdrommen
die met geoefend oog en hand
den taaien boog niet vruchteloos krommen.
Ja! heel dit uitgestrekte land
heeft wat maar wapenen kon dragen
verlaten, en zijn' Vorst verzeld.
Nu slijten we onze droeve dagen,
het hart vol zorgen en bekneld.
By ouders beide en echtgenooten,
steeds in hun hoop te leur gesteld,
dient ieder dag, met angst geteld,
slechts om hun kommer te vergrooten.




KEER.1


Ontzachlijk heir! gy zeit gegaan!
Gy hebt den Griekschen grond betreden,
en brengt den vijand en zijn steden
in ieder tred verwoesting aan.
De zee, die Hella heeft verzwolgen,
had u vergeefs den weg ontzegd;
haar heeft, hoe schriklijk ook verbolgen
uw arm in ketenen gelegd.




TEGENKEER.2


De koning heeft aan alle kant
't verraschte Grieken overvallen
met onze duizend-duizend tallen,
ter zee gewapend en te land.
Hy voert hen aan, met al de Grooten
omgeven van zijn bloeiend rijk;
de Vorst, uit godenbloed gesproten,
en goden-zelf in rang gelijk!

Met oogen schitt'rend van den gloed
van heldenvuur en leeuwenmoed,
en op een rijkversierden wagen
aan 't hoofd der benden omgedragen,
voert hy den Perziaanschen boog
de Griekse spietsen tegen.
Wat vijand hoopt nog op zegen,
die tegen hem ten strijde toog?
Wie waagt het, de opgezwollen stroomen
met dijk of paalwerk in te toomen?
Zoo schriklijk zijt ge, o Perzisch volk!
Maar ach, een akelige wolk
benevelt, blijde hoop! uw luister.
Der goden wegen zijn ons duister:
wat sterv'ling kan hun wil weêrstaan?
Des noodlots ijzren wet ontgaan?
Of 't loosgespannen net vermijden,
hem door der goden hand gespreid?
Te dikwerf door hun gunst misleid,
tracht hy zijn loopkring te verwijden;
en, altijd verder afgedwaald,
ziet hy zich eindelijk verraden,
vervoerd op afgelegen paden,
waaralle vluchtenspoging faalt!




EERSTE KEER.


Der goden bijstand heeft dit land
beveiligd, en van alle kant
ten welvaarts top verheven.
Dankt, Perzen! dankt het haar alleen,
die zelfs de sterkst bemuurde steên
voor uwe vuist deed beven.




EERSTE TEGENKEER.


Dankt haar, die u den wijden vloed,
in 't golven schuimend en verwoed,
in 't eind deed overkomen.
Toen ge u een veilgen overtocht
op zaamgebonden kielen wrocht
betemmers van de stroomen!




TWEEDE KEER.


O! laat die gunst u nooit verlaten!
Klink' nooit die rouwkreet door uw straten,
o Suzes teêrgeliefde vest!
Die kreet, wiens doffe klank mijn harte
ontzet door ongekende smarte:
wee, wee het Perziche gewest!




TWEEDE TEGENKEER.


Begeeft my, aaklige gedachten!
Zoudt ge ook, o Cissa, van die klachten
weêrgalmen in uw hoogen wal?
Uw vrouwen zich de sluiers scheuren,
door geen vertroosting op te beuren,
in wanhoop om des legers val?




DERDE KEER.


Gelijk een digte bijënwolk
stoof overal het dappre volk
uit onze rijkbewoonde steden
De zee, die ons van d'overkant
wou weeren, ligt gedwee in band:
en Xerxes leger heeft Europische aard betreden.




DERDE TEGENKEER.


De teedre vrouw slijt dag en nacht
in afgebroken klacht op klacht,
en 't eenzaam bed is nat van tranen.
Het jeugdig, zacht gevoelend hart
kwijnt weg in nooit verpoosde smaart
om d' egâ, die haar liet voor Konings helden vanen.

Waartoe, waartoe, die ramp gespeld?
Neen! voelen we ons van zorg doorknagen
voor hunne ons overdierbre dagen,
kom, laten we eer naar de aankomst vragen
eens boden, die ons licht den staat van 't leger meldt,
en tijding geeft van vorsten leven,
en wie verwinnaar is gebleven:
de boog der schutters van het Oost
of 't puntig staal van Griekens kroost?
Maar Koning moeder richt haar schreden
tot ons, met glans omstraald gelijk het oog der goôn.
Gy, bidt haar aan naar ons zeden,
en zij uw hulde haar al knielend aangeboôn!
ISAÄC DA COSTA (1798-1860)




DE PERZEN (1816)




PROEVE VAN OVERWERKING1 (EERSTE TOONEEL)




DE REI.


Het heir de Perziaansche scharen
dat voor de Grieksche krijgsgevaren
den vaderlandschen grond verliet,
gaf ons het opzicht hunner schatten,
naar Konings voorgang, op te vatten,
die tot de zorg voor zijn gebied
ons, zwakke grijzaarts, heeft verkoren.
Keer, Koninklijke telg! ei keer!
Breng Perzië zijn manschap weêr!
Ach! kon ik 't voorgevoelen smoren
dat me enkel somberheden spelt.
De bloem van Azië is te veld;
en, daar we in eindelooze klachten
om onze jongelingschap versmachten,
wordt in die wreede onzekerheid
een tiiding zelfs vergeefs verbeid,
Gy Suze, Cissië, Ekbataan!
hoe zaagt ge uw muren dus verlaten,
uw jeugd, herschapen in soldaten,
te paard, te scheep, naar 't strijdperk gaan,
Hen voert de bloem van onze Grooten,
Amistres en Artaspes aan,
en Megabazes, deelgenooten
van grooten Konings macht en eer,
nu hoofden van een talloos heir
te zaam gedrongen ruiterscharen
en schutters vol ervarenheid;
een leger, tuk op krijgsgevaren,
wiens enkele aanblik schrik verspreidt.
Geen mindere uitgelezen helden
zijn op hun rossen Sosthanes,
Iméus en Artembares;
Masistres enPharnaces,
daar ook de korenrijke velden,
vet van desNijls bevruchtend slijk,
ontelbare onverschrokken benden
volijvrig tot den Koning zenden,
Pegaston, zelf uit dat rijk
geboortig, en die Memphis muren
en Thebes oude vest besturen,
Ariomardus, Arsames,
op hun verheven krijgskales
voor krijg en krijgsbevel geschapen
zijn aan de spits die legermacht.
't Moerassig land geeft keur van knapen
om 't handig roeien hoog geacht.
De Lydiër, in wulpsche pracht
gedoken, rukte toch te wapen,
en mét hem gansche vasteland
zich moedig scharend om de vanen
door Konings prinselijke onderdanen,
Arceus, Metragathes, geplant.
Het weeldrig Sardes gaf zijn mannen
met tal van wagens, rijk bespannen,
ten schrik des vijands over zee
op d'ongelijkbren krijgstoch meê.
In 't Aziatisch zielsverlangen
den Griek in ketenen te prangen,
zag m' onder 't oog van Tharybis
en Mardon, wat in Mysië is
met Tmolus naaste nageburen
hun spiessen tot den oorlog schuren.
Maar 't gouden Babel zond een stoet
van scheepelingen, vol gloed en moed,
en afgerichte schuttersdrommen
die nooit vergeefs den handboog krommen.
Wel trok heel Azië te veld!
Het heeft, gehoorzaam aan zijn wenken,
den Koning op zijn tocht verzeld.
Maar wy, als wy dien bloem van 't vaderland gedenken,
zoo voelt, naar mate 't uur verloopt
van tijdingen reeds lang gehoopt,
ons hart tot twijflen zich genoopt.
Voor oudren beide en echtgenooten,
van stond tot stond te loor gesteld,
rijst ieder dag, met angst geteld,
slechts om den kommer te vergrooten.




KEER


Des Konings heir is uitgegaan.
Het heeft den ovekant betreden,
en brengt den vijand en zijn steden
by elken tred verwoesting aan.
De zee, die Hella heeft verzwolgen,
had hun vergeefs een pad ontzegd!
Haar werd, hoe woelig en verbolgen
het vlottend juk haast opgelegd.




TEGENKEER


De koning, die van krijgsdrift brandt,
heeft met zijn honderdduizendtallen,
't vermetel Grieken overvallen'
en overdekt ter zee, te land.
Hy zelf gaat voor, door al de Grooten
omringd, gesteund, van 't Perzisch rijk;
de Vorst, uit Perseus zelf gesproten,
en goden op hun troon gelijk

Met oogen glimmend van den gloed
van heldenkracht en leeuwenmoed,
voert hem de koninklijke wagen
in onuitsprekelijk welbehagen,
da onafzienbaar leger rond,
met duizend schepen in verbond.
De Grieksche spiessen zullen wijken
voor onzen Perziaanschen boog,
en elke vijand haast bezwijken.
waar zulk een macht ten strijde toog.
Of wie zou de opgebruischte stroomen
door dijken keeren of betoomen?
zoo machtig wierp het Perzisch heir
zich op 't verbaasd europa neêr.
En toch! der Goden weg ...
Page: 1
 

Help

  • Select one or more words and get availables translations in Logos Dictionary.
  • Set the number of words for each page and refresh the content.
  • Go to the beginning of the document
  • Go to previous page
  • Go to next page
  • Go to the end of document
  • Libri.it

    Libri.it LA FAMIGLIA VOLPITASSI 3 – CHE SQUADRA!PILOURSINE E IL SUO GIARDINOEDMONDO VA AL MAREROSALIE SOGNA…
  • Illustrati

    Sfoglia riviste di Illustrati