Christine Van Den Hove
Ambrosius, Ambrosia
(c) 1995 Christine Van den Hove
Bruno brengt Broes!
Ik loop naar de voordeur en kijk onderweg in de spiegel. Ik zie er goed uit. Ik draag geen beha en ik schaam me niet.
Bruno is gehaast. Zoals altijd.
"Dag zus." zegt hij droog.
"Judith, antwoord ik, het is Judith, Bruno"
Hij lacht plagerig en kust me op mijn mond, mijn grote broer. Broes steekt zijn armpjes naar mij uit.
"Tante zus", zegt hij.
Ik leer het hem wel af. Zijn eerste zoen van vandaag blijft kleven op mijn wang. Ik kus hem terug, op zijn voorhoofd en op zijn neus.
"Dag mijn kleine Broes, zeg ik, dag mijn snotaapje."
Hij legt zijn hoofd in mijn hals. In zijn hand heeft hij een autootje, een getrouwe kopie van de gele kever van zijn vader.
Bruno haalt nog een tas met spulletjes naar binnen en vertrekt weer. Hij zoent zijn zoon, zoent mij en dan is hij weg. Het went nooit. Hij gaat steeds weer weg. Naar zijn werk, naar de sporthal, naar zijn vrouw. Ik haat Vera niet. Ik vergeet haar.
"Kom, Ambrosius, zeg ik,"Judith heeft een roereitje voor je gebakken." Ik verbeter mezelf: "IK heb een roereitje gebakken."
"Roereitje.", antwoordt hij.
Ik til hem op een stoel en bind hem een slabbetje voor. Hij trekt zijn knieën onder zich en ik laat hem begaan. Zo zitten we bijna op gelijke hoogte. Ik voer hem lepeltjes roerei en stukjes vers wit brood. Hij eet zwijgend, zijn rechterhand op het dak van zijn kever, zijn linkerhand om de rand van de tafel geklemd.
"Melk." zegt hij en ik geef hem een beker die hij met twee handen vasthoudt. De kever staat wat verweesd tussen de kruimels.
Hij drinkt alles in één keer uit en ...
|
|
|
|
|
|
|
|
|