ISAÄC DA COSTA (1798-1860)
PAASCHZANGEN.
I.
H E T K R U I S.
Gaat het ulieden niet aan, gy allen,
die over weg gaat? Schouwt het aan,
en ziet, of er eene smart zij, gelijk
mijne smart die my aangedaan is,
waarmede de Heer my bedroefd heeft
ten dage der hittigheid zijn toorns.
Klaagliederen I : 12.
[wijze: Fr. Cant. 13.]
o! Hoe duister, hoe ontzettend,
zielverscheurend, hartverpletttend
was dat schrikverwekkend uur,
toen het vlekloos Lam geslacht werd,
en de losprijs aangebracht werd,
der gevangen creatuur!
Toen de losgelaten Booze
aan den Schuld- en Zondelooze
zijn verwoede klaauwen sloeg,
toen de Godmensch voor de Zijnen,
doodsbenaauwdheid, hellepijnen
in 't geheiligd lichaam droeg!
Toen Gethsemane Zijn klachten
in dien aakligsten der nachten,
in dien bangsten strijd vernam;
daar de Paaschman somber lichtte
op dat hemelsch aangezichte,
van 't verzoenend bloedzweet klam!
Toen de snoodste der verraderen
zijn verkochten Heer dorst naderen,
met een kus gevangen nam;
toen de Christus zich liet vinden,
zich liet grijpen, zich liet binden,
als een weerloos offerlam.
Toen de vierschaar der godloozen
de Vergadering der boozen,
tegen Hem ten oordeel zat,
wien de Wet Gods Zoon verklaarde,
wien als Richter van heel de aarde
vader Abraham aanbad!
Toen Pilatus zijn geweten,
in zijn Gabbatha gezeten,
uit lafharte vrees verried;
aan den moedwil der soldaten,
aan den eisch der onverlaten,
den Rechtvaardige overliet.
Toen de Koning, Davids Zone,
met de scherpe doornenkroone,
in het spotkleed, buitenkwam,
al den smaad droeg van die snooden,
en den bloedkreet van de Joden,
overdekt van smart, vernam!
Toen de Heilige der heiligen,
wien Zijn Almacht kon beveilgen,
't alleruiterste onderging;
en, by 't lasteren der scharen,
tusschen raauwe moordenaren
aan 't vervloekte kruishout hing!
Toen de Man, by wien geen zonden,
geen bedrog ooit werd gevonden,
uit de diepten van ...
|
|
|
|
|
|
|
|
|